Geschiedenis

Van Mme. Antoinette Cambon

Vertaald in het Nederlands door Wim Nijs

In de 13e eeuw maakte Simon de MONTFORT, onder het voorwendsel de ketterij uit Vaud te beteugelen, die zich in de Agenais had verbreid, zich van deze streek meester en schonk het dal tussen Monclar en Tombeboeuf aan een van zijn luitenanten, de Heer van DOUZON (afkomstig uit de Auvergne).

Overigens, op de weg van Monclar naar Tombeboeuf, voor Saint-Eutrope, ligt een boerderij met de naam Douzon.Anderzijds vertrouwde Simon op 8 oktober 1218 het beheer van het kasteel van Montastruc toe aan Estève de FERRIOL, die er in 1219 eigenaar van werd.

Hij stierf in de winter van 1225 tijdens het beleg van het kasteel van Hauterive, toen hij in dienst was van Raymond, graaf van TOULOUSE.

Het kasteel van Montastruc bleef – in mede-eigendom van andere edellieden – in de familie FERRIOL tot het jaar 1450, zoals uit de volgende teksten blijkt.

In 1312 wordt Etienne de FERRIOL per “lettres patentes” door Edward I benoemd tot landdrost (“Sénéchal”) van Aquitaine. De bewoners van de Agenais waren sinds 1304 door het verdrag van Amiens geplaatst onder het gezag van de koning van Engeland.

Er bestaat nog een brief uit 1324 van de koning van Engeland, waarin hij amnestie verleent aan DAMORDENUS, heer van Montastruc, die de zijde van de Franse koning koos.

Hij is dan een van de eigenaren. Mede-eigendom was in die tijd niet ongebruikelijk. Dikwijls bezaten verschillende edellieden gezamenlijk het kasteel en de grond.

lettre_roi_E

Brief van de koning van Engeland Edward 1ste, 7 augustus 1286

Dit document legt voor het Agenais gebied vast het innen van zoutbelasting en tolgelden, de toezeggingen voor landdrosten en sergenten alsmede de civile en criminele rechtsprocedures.

De overeenkomst tussen de twee eigenaren, enerzijds de landdrost van Edward I van Engeland en anderzijds de partizaan van de Franse koning, duurde niet tot die datum.

Jan de Goede herstelde de rust in Montastruc in 1350, toen hij nog slechts Hertog van Normandië was, en veroverde deze “bourgade”.

Echter in de volgende eeuw, in het jaar 1417, kondigt zich een Engels garnizoen aan, waarna Jean de FERRIOL, zoon van Guillaume, in 1421 met de Engelsen een verbond sluit. Hij is dan Ridder en Heer van TONNEINS-DESSOUS. Men geeft hem de bijnaam van de “Engelse Baron”.

Toch opent Montastruc begin september 1442 zijn poorten voor het leger van Karel VII, aangevoerd door de Burggraaf van LAMAGNE, markies van FIMARCON.Jean de FERRIOL overlijdt in het jaar 1450.Zijn dochter Isabelle, Dame de MONPEZAT, erft het kasteel en de Baronie van Tonneins-Dessous, welke zij verkoopt aan Baron Amanieu de MADAILLAN. Na verbeurdverklaring en een proces staan zijn erfgenamen de bezittingen af aan Poton de XAINTRAILLES in 1452.

In de 2e helft van de 15e eeuw zijn de families d’ABSAC en d’ESTISSAC de eigenaren van het kasteel. Zij behoren tot de tak van MADAILLAN d’ESTISSAC, waarvan de leden landdrost en gouverneur van Agenais waren.De afstamming van MADAILLAN is nagegaan tot 1202, het jaar waarin Guillaume de MADAILLAN zijn grond ten geschenke gaf aan Philippe Auguste. In de akte is hij vermeld met de titel van Baron de MADAILLAN, SAINTE-LIVRADE, CANCON en MONVIEL.

Aan hun bezittingen in de Agenais voegen zij de talrijke bezittingen in Guienne toe, van de Bazadais tot aan de Médoc, waar zij belangrijke functies bekleden. Uit dien hoofde zijn zij gevreesd door de koningen van Engeland, die gedwongen worden hun voorwaarden te accepteren.

D’ESTISSAC geeft aan zijn nageslacht de naam en de wapens van dit huis door, dat een van de meest vermaarde van de Périgord is.Zijn zoon Jean de MADAILLAN d’ESTISSAC, werd kamerheer van de graaf van Guienne, de broer van Louis XI.

Van de 15e tot de 16e eeuwnemen de de MADAILLAN de plaats in van de machtige familie d’ESTISSAC. Zij dragen gedurende 120 jaar de namen en de wapens van dit huis en vermengen zich vervolgens door gebrek aan mannelijke afstammelingen met het huis de La Rochefoucauld.

Maar laten we terugkeren naar Montastruc.In het jaar 1466 trouwt Jean de GROSSOLLE met Anne d’ABSAC uit Douze en neemt de titel aan van Baron van MONTASTRUC, hoewel hij mede-eigenaar is metJean d’ESTISSAC.Het mede-eigendom blijkt uit een verordening uit 1471 van Karel van Frankrijk:”Karel van Frankrijk, graaf van GUIENNE, beveelt de landdrost van Périgord, Agenais en Quercy een onderzoek te laten instellen naar de eigendom van Montastruc bij Monclar, opgeëist door Jean d’ESTISSAC, heer van die plaats…”.

In het jaar 1471 bracht Jean de GROSSOLLE, heer van Montastruc, hulde aan de koning van Frankrijk en in het jaar 1500 liet hij naast het kasteel een kapel bouwen voor de inwoners van Montastruc. Hij wijdde de kapel toe aan Saint-Georges en zorgde ervoor dat er een kapelaan kwam.

Na de godsdienstoorlogen werd de dienst in deze parochie zeer slecht waargenomen. Nicolas de VILLARS, bisschop van Agen, noteert in 1597 bij zijn pastorale bezoek: ” Er is
een geschikte kapel waar de mis gelezen wordt vanwege de
graven van enkele hugenoten”.

Arnaud de GROSSOLLE huwt in 1542 Catherine de LATOUR.  Men kan wel zeggen dat verbindtenissen met het huis  GROSSOLLE de FLAMARENS graag gezien zijn. Deze familie stamt af van het machtige huis DURFORT sinds de 12e eeuw. Het kasteel is dan nog steeds mede-eigendom, en een van de mede-eigenaren, Louis de
PERRICARD, heer van genoemde plaats, dicht bij Tournon, vanwie de tak van de RAFFINS de PERRICARD, heren van Puycalvary, evenals die van de heren van HAUTERIVE en AIGUEVIVES afstammen.

Deze Louis de PERRICARD riskeert de doodstraf en de onteigening van zijn bezittingen “door over een  zekere Guillaumette BARTOLMEN beschikt te hebben en van haar weelderigheid misbruik gemaakt te hebben”.

Toegegeven moet worden dat, na ongeveer 3 maanden met haar het bed gedeeld te hebben, genaamde MONTASTRUC het fatsoen van dit meisje wenste te beschermen en haar van haar wulpse gedrag wilde afhouden, door haar met iemand te laten trouwen. De opgelegde straf werd verminderd.

In 1611 trouwt Jean de GROSSOLLE met Françoise d’ALBRET, dochter van Henri d’ALBRET,  wiens zoon Agésilon de GROSSOLLE meevocht in de “Fronde”.  Hij was bevriend met “la grande Mademoiselle” en stierf tijdens de slag om de voorstad Saint-Antoine op 2 juli 1652. Zijn weduwe trok zich terug in Montastruc,  van waaruit zij veelvuldig reizen naar Parijs maakte. Zij stierf in de hoofdstad  op 9 februari 1703.

Vanaf het begin van de 17e eeuw bleven de families de GROSSOLLE de enige eigenaren van het kasteel.Volgens het kadaster van 1715-1717 omvatten de adellijke bezittingen van de markies van FLAMARENS ongeveer 600 “sextérées”, aan welke bezittingen de markies in 1741 de wegen en de “heerlijke” rechten van Buzet toevoegde, die waren afgestaan door de prior, tegen een rente van gemiddeld 200 pond per jaar.Agésilon-Gaston de GROSSOLLE stemt in Agen op 13 maart 1789.

Wij nemen kennis van zijn titels:hij is markies van FLAMARENS, heer van BUZET, THOUARS en LASBARTES, veldmaarschalk van de legers van de koning, Ridder van Saint-Louis, luitenant-generaal van La ROCHELLE, en commandant van de provincie BIGORRE.

Als we de stamboom van de familie de GROSSOLLE volgen tot het jaar 1818, zien we dat ze afwisselend in Buzet en Montastruc wonen.

Een van hun afstammelingen, Henry Patrice Marie, comte
Russell-Killough dit Henry Russell
 
(1834-1909), zoon van
Fernande GROSSOLLE maakte een voetreis rond de wereld. Hij
stierf in Gavarny.

Laten we het niet langer over het kasteel en zijn heren hebben, maar over het dorp Montastruc.

Het dorp

In de 17e eeuw is het dorp vrij belangrijk.

Wij treffen er een schoenmaker, twee timmerlieden, twee ploegenbouwers, een wagenmaker, een timmerman die volontwikkeld hout van 120 à 200 jaar verwerkt, vier smeden, vier schrijnwerkers, drie metselaars, een ambachtsman die kleine duigen voor vaten maakt, vijf kleermakers, twee steenhouwers, acht wevers, dertien kuipers, een pannenbakker, vijf molenaars, een herbergier en een producent van olijf-olie.

Er wonen verschillende notabelen, onder wie Monsieur de Lidon, heer van Savignac die een dagboek bijhield waarin hij ons vertelt over het dagelijks leven van Montastruc van 1650 tot 1660.Wij vinden er veel gegevens in over de gewoonten uit die tijd, evenals over de landstreek.

Ik citeer:” Op vrijdag 18 oktober (1650), feestdag van de heilige Lukas, is Marguerite de CAPDEFER hier in huis komen wonen en ik heb haar voor een jaar 15 francs beloofd en een “coursset” (een lijfje van een japon, op het platteland een brassière genoemd)”. Maar hij voegt er vijf jaar later aan toe: “ik heb haar woensdagochtend 19 mei 1655 vanwege een kleine diefstal ontslagen”.

De consuls van Montastruc ontvingen op 16 juni 1652, op straffe van te worden verbrand, de opdracht om 100 man naar het legerkamp voor Villeneuve te zenden, de ene helft bewapend en de andere helft werklieden met gereedschap, .De bedreiging werd door betaling van een geldsom afgewend.”

Als gevolg daarvan werden zij, omdat zij vanwege hun ellende de genoemde 100 man niet konden leveren, in rechte gedwongen om aan Monsieur du FAY, regimentscommandant, drager van die rang, een bedrag van 1000 pond te betalen, rekening houdend met de aan de derde stand opgelegde belastingen.”

In januari 1653 moesten 2000 broden rantsoen voor het leger van de koning worden geleverd en moest er een belasting van 1.184 francs worden betaald voor het levensonderhoud van het garnizoen van Saint-Pastour. Evenzo in 1652 en 1655, toen er een nieuwe belasting werd geheven voor het onderhoud van het garnizoen en er 1.000 pond betaald moest worden voor de kosten van de inkwartiering van de militairen.

De “Fronde” was in die tijd bijzonder actief in de Agenais. Trouwens de Lidon schrijft hierover in de volgende bewoordingen:”Op 1 oktober 1653 meldde BALTAZAR, bezetter van Tombeboeuf en Monclar zich in Montastruc, waar het regiment van Champagne met de markies de COUDRAY verbleef”.Van 5 tot 15 oktober verbleef daar ook MONTPENSIER, en op de 13e van deze maand moest de Graaf de CANILLAC zich overgeven aan Monclar en vervolgens aan Montastruc, om een heftige onenigheid te sussen, die was ontstaan tussen de in deze twee steden gelegen regimenten en die had geleid tot handgemeen.

De soldatenbende was niet zachtzinnig was; reeds in januari 1653 was er een delict dat bestraft werd.

“Op dinsdag 7 januari is Le RITOU, slager in Montastruc, overleden tengevolge van de klappen die de troepen van de SAUVEBOEUF hem hadden uitgedeeld.”

Dat jaar 1653 zal trouwens nog ongelukkiger zijn omdat in Montastruc de pest heerste en de LIDON tekent dit op met de volgende woorden:
“Op 18 augustus is de vrouw van Guinot BREIL van de molen van “Madone” gestorven aan de gevreesde pest en zij werd begraven in hun tuin”.

Zij moet een protestantse geweest zijn, omdat de SAVIGNAC een hugenoot was en de molen van “Madone” van hem was.

“Op maandag 1 september is Antoine de CHAZERENQ gestorven en begraven in de tuin van de molen van “Madone”. Op donderdag 4 september is Dauphine BRUGERE, de vrouw van Martin RENQUET, bij de molen van “Madone” overleden. Op zaterdag 6 september stierf GUINOT, bijgenaamd BREIL, aan de pest”.

“Op 19 september sterft Jane FAVARY, de vrouw van Antoine de CHAZERENQ. La Tonie, zijn zuster, overlijdt maandagmorgen de 22e. Op dinsdag de 23e volgt zijn dochter Hélène. In de nacht van vrijdag op zaterdag 4 oktober is Tonie GUINOT, dochter van Tonie GUINOT, bijgenaamd BREIL gestorven”.

De epidemie heerst vooral in “Madone”; acht doden bij de molen en twee in Montastruc.

“Op 27 september is de lakei de BOYVERDUN gestorven aan de pest. Op donderdag 6 november 1653 is Jehan DEL CASSE aan de pest overleden”.

Maar in 1654 lijkt de pest te zijn afgenomen. De rust keert terug in de streek en het gewone leven gaat verder, immers “op Hemelvaartsdag 14 mei trouwt Jehan, zoon van wijlen GUINOT met Peyronne RIGAUD, dochter van Martial du PRADIE”.

Jehan GUINOT had de verschrikkelijke ziekte overwonnen, die zijn vader had weggerukt. De zoon van de notaris daarentegen trouwt niet, maar gaat het klooster in.

“Op maandag 30 maart 1654 heeft de zoon van Martin SAMONDES, notaris te Montastruc, zijn eerste mis opgedragen in Cabannes”.

De kerk van Cabannes behoorde toe aan een kleine parochie in de omgeving van Montastruc.De LIDON informeert ons over de middelen die tot zijn beschikking staan om op een voor hem
zo voordelig mogelijke manier bepaalde hem opgelegde
belastingen te kunnen betalen.

“Op vrijdagmorgen 24 juli 1654 liet de edele heer RATABOULE, priester, vicaris te Montastruc mij bezoeken, waarbij ik hem beloofd heb de eerstvolgende maandag een fust wijn te geven, te weten de
helft voor de totale “dime” van het afgelopen jaar en de andere helft in plaats van een pijp die ik hem beloofd heb als “dime” voor het lopende jaar, zoals God’s wil geschiede”. (“dime”: belasting bestaande uit een betaling in natura aan de geestelijkheid. Deze zeer hoge belasting voor de boerenstand, werd deze in de nacht van 4 augustus 1789 afgeschaft).

“Op woensdag 10 maart 1655 heb ik aan MALAVERGNE, consul te Montastruc, 2 fusten wijn gegeven, die Jehan GRAND voor zijn rekening heeft genomen als deel van de belasting opgelegd aan de boerenstand in het jaar 1654. Het genoemde als betaald aan de consuls, in plaats van, 2772 ponden hooi tegen 14 stuivers per “quintal”(=100 kg).

“Op woensdag 20 april 1655 heb ik 12 ponden naar Montastruc aan consul SAFFIN gestuurd ter vermindering van de belasting voor het levensonderhoud der militairen”.

De Lidon heeft soms geschillen met zijn buren. Hij vertelt ons over een geschil dat blijkbaar plaats vond op een dag waarop gedorst werd.

“Op donderdag 15 juli 1655 is Bonnet d’AGEN, zoon van de apotheker van Montastruc, op het erf geweest van de boerenhofstede (van “La Tuque”, eigendom van de LIDON) met 2 paarden en 8 mannen: te weten   Maistre PIERRE, zijn zoon, de zoon van Michelle, de kleine Lou RITOU, BROUSSE, Jehan GRAND, BENASSI, allen uit Montastruc en een andere FILLOL, schoonzoon van FILLIOLES uit Monclar, die van zijn paard stapte en zelf al vloekend 14 korenschoven uitzocht, op 2 paarden laadde en meenam. Vrijdag de 16e ben ik naar AGEN gegaan om mij te beklagen over de misdadige luitenant.

Op maandag en dinsdag zijn zij op het veld komen tellen en zijn daarna zonder hen iets gezegd te hebben, vertrokken, hetgeen hen goed is bevallen”.

Verder komen wij over dit incident niets meer te weten.

Kerken

In de tijd van de LIDON, was de parochiekerk toegewijd aan St.-Pierre de la Croix, gelegen op 2000 passen van de stad op een tamelijk vlakke plaats, nogal dichtbij de huizen , maar te ver verwijderd van Montastruc, zodat de meeste parochianen niet regelmatig konden komen en zelden de mis bijwoonden….


Er is in de stad een 
privé-kapel die, ondanks de flinke jaargelden die de seigneur van de plaats laat heffen, in een ruïne verandert, legt monseigneur DELBERRE uit.

Als monsieur JOLY in 1682 ziet dat de bevolking geen gebruik maakt van de kerk van St.-Pierre de la Croix, verplaatst  hij de kerkdiensten van de vernielde kerken van St.-Jean de Sérignac en van Saint-Léger naar de kapel van St.-Georges en verordonneert de pastoor om aldaar de pastorale functies te vervullen. Dankzij dit redmiddel ging alles goed tot aan de revolutie van 1789.

In 1792 besloten de raadsleden St.-Pierre de la Croix te behouden met de titel van parochie, en de kapel van St.-Georges te sluiten. De bevolking verzette zich hiertegen.In hun vergadering van 29 april 1792 besloten de raadsleden dat de “parochie van St.-Georges in Montastruc zal worden behouden en dat deze het gebied van de parochies van St.-Pierre de la Croix, St.-Léger, Savignac, St.-Etienne en een gedeelte van die van Cabannes zal omvatten. De kerk van Cabannes zal worden behouden als privé-kapel en de kerken van St.-Pierre en St.-Etienne zullen worden gesloten”.

In 1803 werd de titel van bijkerk definitief toegekend aan de oude kapel van St.-Georges en de parochie kreeg de naam van St.-Georges van Montastruc. Drie jaar later werd St.-Pierre de la Croix verheven tot bijkerk.

Deze maatregelen ontketenden tusssen de twee partijen van St.-Georges en St.-Pierre de la Croix een eindeloze strijd; de laatsten weigerden bij te dragen in de kosten van de diensten in de nieuwe parochiekerk, van het meubilair en onderhoud van de pastorieOok over de begraafplaats werd getwist; de parochianen kregen een pastoor die zich aan de wet hield en hen noch wilde dopen, noch trouwen in hun kerk; de ergste venederingen.

De koude oorlog smeulde binnen de gemeenschap, ondanks een betrekkelijke verzoening die vanaf 1828 gedurende tien jaar stand hield.

Echter in 1838 tijdens de bouw van de klokkentoren in Montastruc, laaide de oorlog (van de klokkentoren) weer op, want, nauwelijks voltooid, stortte deze klokkentoren in, de kerk in zijn val meesleurend. De parochianen van St.-Pierre zagen in deze gebeurtenis de hand van God.

De parochiële status van hun kerk moest worden hersteld, zeiden zij.Maar de wijze pastoor hield de kerkdiensten in een noodlokaal, in afwachting van een nieuwe kerk.

De parochianen deden alles om de pastoor het veld te laten ruimen.De bouw van de nieuwe kerk was echter bij stemming aangenomen, ondanks de tegenstand van de talrijke inwoners die partij hadden gekozen voor St.-Pierre, want de Prefect had gedreigd hun kerk te laten sluiten en af te breken.


kerk-Cabannes30_small

Kerk van Cabannes, geclassificeerd historisch monument


KerkMontaNijs1-300x200

Notre Dame de Montastruc, de huidige kerk.


kerk_de_la_croix-178x300

St. Pierre de la Croix, kerk en kerkhof op aanvraag te gebruiken.

 

Geef een reactie